Nieuws

Concert

3 november 2019

in de abdij van Egmond

Thema: De Liturgie van de Overledenen

Uitgevoerd door de Schola Cantorum Kennemerland

 

o.l.v. Ko Ariëns

 

De Overlijdensriten in historisch perspectief

De laatste decennia is er een muzikale uitvaartmarkt ontstaan die sterk afgestemd is op de individuele overledenen en diens naaste familieleden. Een gebruikelijke verklaring daarvoor is onze moderne maatschappij; een maatschappij gericht op de individuele persoon en gewend aan een grote pluriformiteit. Minder bekend is dat het concilie Vaticanum II (1962 - 1965) met de opdracht de liturgie aan te passen aan de lokale cultuur (met o.a. ruimte voor de volkstaal) voor dit personalisme alle gelegenheid biedt. "Hoe was het dan vroeger?" is na deze constatering een terecht gestelde vraag.

Aanleiding voor de keuze van het bovengenoemde thema voor ons najaar concert begin november 2019 is het laatste papieren nummer van het Tijdschrift  voor Gregoriaans (november 2018, Requiem), het verschijnen van Graduale Novum II (deel 2 van de gregoriaanse gezangen voor de weekdagen en feesten van de heiligen met uitzondering van het Koorgebed) en de voordracht van Frans Mariman in 2010 voor de Gregoriaans Academie, waarvan het papier mij welwillend door Gerrit van Osch ter beschikking is gesteld.

Vanaf het vroege Christendom tot nu zijn er ten aanzien van het overlijden tenminste twee lijnen te onderscheiden: de gelovigen en de kerkgemeenschap ervaren het overlijden als de opstanding naar het eeuwige leven of als het wachten op het strenge Laatste Oordeel en als tweede lijn de ontwikkeling van de overlijdensriten van lokale gebruiken naar de door de (kerkelijke) overheden opgelegde en afgedwongen uniformiteit.

De eerste christenen zien de dood als de overgang van het tijdelijke naar het eeuwige leven: de Paas- of Opstandingsgedachte. Vanaf de late 12e eeuw (in deze tijd ontstaat het Dies Irae) krijgt het ontzag voor Het Laatste Oordeel de overhand en leidt tot groter verdriet en angst voor de dood en de tijd daarna. Als voorbeeld hiervan kan verwezen worden naar de publicatie van de oud-plebaan van Haarlem Hein Jan van Ogtrop. Hij schreef onlangs dat in de kerkportalen van de Franse Kerken Jezus in de 12e eeuw als milde herder wordt afgebeeld en vanaf de 13e eeuw als de strenge (ver)oordelende leraar. Deze omslag wordt tijdens het concilie van Trente (1545-63) bevestigd en in het Rituale Romanum (1614) dwingend aan de gehele kerk opgelegd. Deze negatieve visie op de dood blijft eeuwen van kracht totdat Vaticanum II weer teruggrijpt op de vroegchristelijke Paasgedachte . De Sequentie Dies Irae en het Responsorie Libera me Domine de morte worden dan ook vervangen door het Alleluja en de Sequentie van Pasen Victimae pascali laudes. Het is overigens geen zwart/wit tegenstelling: tijdens de periode met de nadruk op het Laatste Oordeel bleven vele antifonen, psalmen en gebeden met de vroege Paasgedachte gehandhaafd.

De tweede lijn is die van de toenemende eenvormigheid binnen de kerk.  De eerste christenen sluiten aan bij de Joodse cultuur. De christenen verwerpen immers de praktijken van de heidenen en Romeinen: deze verbranden de lijken en omhangen hun overledenen met kransen. De Joodse klaagzangen worden wel al spoedig vervangen door de psalmen en het avondmaal vindt later niet meer op het graf plaats. In de 7/8e eeuw krijgen de begrafenisrituelen een vastere vorm. In 1614 wordt één overlijdensrite - vastgelegd in het Rituale Romanum - voor de gehele kerk verplicht. Dit duurt tot Vaticanum II. Dit concilie geeft als in de eerste eeuwen meer ruimte voor lokale diversiteit met een uitdrukkelijke plaats voor het behoud van het  Gregoriaans.

De uitgebreide riten, die overigens vooral in kloosters en bij het overlijden van vorstelijke, adellijke en rijke personen zijn uitgevoerd, bestaan uit de hieronder volgende drie statio's.

Voor de overzichtelijkheid is het programma daarnaast op basis van de locaties in zeven fasen opgedeeld.

 

Statio Prima (in het huis van de stervende/overledene)

Als stervensbegeleiding worden in het huis van de stervende gebeden gezegd, psalmen gezongen, het passieverhaal van Johannes voorgelezen en de communie onder twee gedaanten (viaticum) uitgereikt. Later wordt dit de ziekenzalving en het sacrament van het Heilig Oliesel. (Fase 1) Na het overlijden worden weer antifonen met psalmen gezongen gevolgd door het Subvenite, In Paradisum en Chorus Angelorum.(Fase 2) Deze laatste drie gezangen verhuizen later naar het einde van de Requiemmis (Absoute).  Tijdens de processie naar de kerk bij het kerkhof worden opnieuw antifonen en de daarbij passende psalmen gezongen. (Fase 3)

Statio Secunda ( in de kerk)

In de kerk worden aanvankelijk ofwel de Vespers dan wel de Metten of een deel daarvan gezongen; dit afhankelijk van de tijd waarop de processie met de overledene aankomt. Later wordt dit gebruik veranderd in een eucharistieviering, de uitvaartmis. De mis  wordt nu het belangrijkste deel van het gehele ritueel. (fase 4) De plechtigheid in de kerk wordt afgesloten met de zogenoemde overdracht en afscheid (Absoute) en begeleid door de gezangen Subvenite, Libera me Domine de morte, In Paradisum, Chorus Angelorum en Ego sum. (fase 5) Aan het einde volgt de processie naar het graf met  antifonen als Aperite mihi portas, Haec porta etc. met de daarbij passende psalmen. (fase 6)

Statio Tertia (bij het graf)

Bij het graf wordt gebeden en antifonen als In Pace met psalmen en eventueel een responsorie gezongen. (fase 7)

Naast de verplaatsing van Subvenite etc. van het huis van de gestorvene naar de mis in de kerk treft een dergelijke verplaatsing ook een flink aantal andere antifonen en psalmen. Enkele antifonen raken in onbruik en zijn helaas niet opgenomen in het zeer uitgebreide Ordo Exsequiarum in het Graduale Novum II. Frans Mariman geeft hier enige voorbeelden van zoals het op het programma staande Tu Jussisti. Na Vaticanum II vervallen ook enkele gebeden en gezangen vanwege hun te gestrenge Laatste Oordeel karakter; bv Libera me ...de morte wordt vervangen door Libera me...de viis.  De schola zingt ze als voorbeeld beide!

De Schola Kennemerland kan vanwege de toegemeten tijd, één uur, slechts een deel uit de drie Statio's en zeven fasen ten gehore brengen. Desondanks geeft het concert u een goede indruk van de tekstuele en muzikale rijkdom van deze in de loop van de eeuwen gevormde riten. Ze bieden tevens veel ruimte voor het beleven en verwerken van het overlijden.

Ko Ariëns

 

 

SCHOLA CANTORUM KENNEMERLAND

De Schola Cantorum Kennemerland bestaat ruim 40 jaar en telt momenteel 8 zangers en de cantor/dirigent. De Schola zingt op basis van de handschriften vanaf de 10e eeuw de Gregoriaanse gezangen in liturgische erediensten in het Kennemerland: op de eerste zondagen van de maand om 16:00 uur de vespers in het Centrum Onze Lieve Vrouw ter Nood in Heiloo (Het Putje genoemd) en op de derde zondag van de maand om 10.00 uur de gezongen Euchristieviering in de katholieke Nicolaaskerk in Edam (Voorhaven).

Een uur voor deze diensten begint het inzingen en het repeteren van de te zingen stukken. Naast deze twee vaste elementen (vanaf half juli tot eind augustus is de Schola op vakantie) zingt de Schola ook wel eens in andere kerken en geeft zij een keer per jaar een concert in samenwerking met een organist, andere muziekanten of een verteller.

Onderwerpen zijn geweest: Kerstconcert, muziek rond Willibrordus, muziek op basis van de teksten van het Hooglied etc. Tijdens de Goede Week zing de Schola de oeroude liturgische gezangen bij de plechtigheden op Witte Donderdag, Goede Vrijdag en de Paaswake. Op uitnodiging kan de Schola ook bijzondere bijeenkomsten opluisteren.

De reguliere repetities zijn op iedere maandagavond van 19.15 uur tot 21.30 uur inclusief een koffiepauze. De Schola zingt vanuit het Graduale Novum (2011), waarin de neumen van de twee belangrijkste handschriften respectievelijk boven en onder de kwadraatnotatie staan gedrukt. De vespers worden gezongen vanuit de door de cantor/dirigent gemaakt fotokopieën. De Schola stelt het Graduale en de andere partituren ter beschikking.

De cantor/dirigent streeft ernaar, dat alle leden de specifieke kenmerken van het Gregoriaans zich eigen maken en op den duur de neumen kunnen lezen. Hiertoe wordt een daartoe geschikte inleiding op het Gregoriaans en de semiologie behandeld en tijdens de repetities steeds gewezen op de voorkomende bijzonderheden.

Het lidmaatschap van de Schola vergt geen contributie, wel de tijd van de repetities en die uitvoeringen en mogelijk enkele momenten van zelfstudie. De nieuwe leden behoeven geen ervaring te hebben met het zingen van Gregoriaans en ook het a vu lezen van de noten is geen voorwaarde. De nieuwe leden dienen wel over enige muzikaliteit te beschikken en een toon of eenvoudige melodie over kunnen nemen/ op toon na kunnen zingen. Het overige leren zij in de praktijk. Daarnaast wordt ook aandacht geschonken aan stemvorming en klankvorming. In een koor gezongen hebben strekt natuurlijk tot aanbeveling, zo ook met het bezit van een mooie of heldere stem.

Voor nadere informatie over de Schola, de cantor/dirigent en over het Gregoriaans zoals de Schola dat zingt verwijzen we u naar de andere pagina"s van deze website.

Voor nadere info kunt u zich tevens wenden tot de cantor/dirigent Ko Ariëns 075 6173803